Paradjanov Museum, Jerevan
Martine Goossens
Sergej Paradjanov was een Armeens beeldend kunstenaar en filmmaker, bekend van de visionaire film Sayat Nova (The Color of Pomegranates). Net als Buñuel en Dalí creëerde hij een eigen vorm van surrealisme, maar met een dieper moreel en emotioneel gewicht. In zijn werk schuilt maatschappijkritiek, vermomd in ironie. Achter de barokke pracht voel je de pijn van een man die leefde in een tijd waarin zijn flamboyante stijl, zijn vrijdenken en zijn (verholen) mannenliefde niet getolereerd werden. In 1973 werd hij gevangengenomen door het Sovjetregime, officieel wegens ‘immoreel gedrag’. In werkelijkheid omdat hij te anders was, te vrij. Zelfs in gevangenschap bleef hij creëren. Uit het schaarse materiaal dat hij vond, maakte hij kleine wonderen.
Ik stap het museum van Paradjanov binnen alsof ik een droom binnenwandel. Alles is even overdadig, absurd, ontroerend. De kamers zijn gevuld met collages van persoonlijke foto’s, poppen en kleine assemblages die tegelijk speels en schrijnend zijn. Wat op het eerste gezicht knotsgek lijkt, is in werkelijkheid een zorgvuldig opgebouwde taal van verzet: tegen censuur, tegen bekrompenheid, tegen de grijze ernst van de Sovjetrealiteit waarin Paradjanov moest leven.
Ik loop door de zalen en voel de kracht van iemand die nooit ophield te dromen, zelfs niet tussen de muren van een strafkamp. In elk object sluimert de overtuiging dat verbeelding een vorm van vrijheid is. Wat me het meest treft, zijn de zogenaamde “thalers”: miniatuurmedailles die hij maakte uit de capsules van flessen, bewerkt met zijn nagels. Ze lijken op oude munten, glanzend en geheimzinnig, elk met een eigen tekening of symbool. Kleine tekenen van behouden waardigheid, ontsproten uit afval en opsluiting.
Wie Jerevan bezoekt, mag dit museum niet overslaan. Het is geen gewoon eerbetoon, maar een plek waar kunst, overleven en verzet samenvallen.









